Friday 12 March

Sunday 14 March

Friday 19 March

Friday 26 March

Sunday 28 March

Friday 2 April

Sunday 4 April

Friday 9 April

Sunday 11 April

Sunday 18 April

Friday 23 April

Sunday 25 April

Friday 30 April

Monday 16 April

Retrospectieve

Eric Rohmer

Januari jl overleed op 89-jarige leeftijd Eric Rohmer (pseudoniem van Maurice Schérer), het oudste en meest venerabele lid van de nouvelle vague. Rohmers eerste lange speelfilm,  Le signe du lion, dateert uit 1959, het wonderjaar van de nouvelle vague, maar had niet het succes van de debuten van zijn jongere collega-critici Godard, Truffaut en Chabrol. Rohmer zou pas tien jaar later internationaal doorbreken met Ma nuit chez Maud en zijn follow-up Le genou de Claire. Rohmers werk is keurig opgedeeld in reeksen: ‘contes moraux’ (1969-72), ‘comédies et proverbes’ (1980-87), ‘contes des quatres saisons’ (1989-98) en de historische films (naast diverse kortfilms en documentaires voor tv). Meer dan een halve eeuw charmeerde Rohmer zijn publiek met spannende en luchtige (komedie)drama’s over de emoties, driften, aarzelingen en morele dilemma’s van mooie, welbespraakte, jonge mensen uit de middenklasse. Rohmer was een meester in het speels-ironisch observeren (en analyseren) van de drijfveren van zijn personages en de gevolgen van hun  aden. Hij bleef over de jaren heen trouw aan zichzelf, maar hield tegelijk zijn vinger aan de pols van de tijd. Het bekendst zijn zijn morele vertellingen: ze lijken geïnspireerd door Rohmers reactie op de permissiviteit van de jaren ’60. Het zijn zes variaties op hetzelfde thema: een  jongeman die houdt van een vrouw terwijl hij fysiek aangetrokken wordt door een andere en hierdoor in morele verwarring geraakt. Hoewel in de traditie van de Franse psychologische roman, is Rohmers werk pure cinema – gemaakt in een bedrieglijk  eenvoudige, elegante, zuinige stijl (eigenschappen die hij zo bewonderde in de klassieke Hollywoodcinema). Er zijn weinig filmmakers die zo’n stijlvast en consistent oeuvre nalaten. Rohmers drie laatste films (L’Anglaise et le Duc, Triple Agent, Les amours d’Astrée et de Celadon) werden in Vlaanderen niet eens uitgebracht: je kan ze nu voor het eerst op groot scherm zien met Nederlandse titels.

 

Spaghettiwestern

Er waren al wel eerder westerns gemaakt in Europa, maar het  was niet voor Clint Eastwood zijn entree maakte als de Man Zonder Naam in Leones Per un pugni di Dollari/A Fistful of Dollars (1964) dat een Europese sensibiliteit het genre zou gaan domineren. Leone plunderde de rituelen en basismotieven van de western en herschikte ze tot een door-en-door  Latijnse versie van het genre. Leones westerns (flamboyant en één-enal close-ups en zooms), brachten ook een nieuw type helden voort, cool en zelfverzekerd. Het succes van  Fistful zorgde voor een ware westernrage. Tussen 1964 en 1972 werden in Italië (vaak in co-produktie met Spanje of Duitsland) zo’n 300 westerns gemaakt. In het zog van de Man zonder Naam volgden nog meer (anti)helden: Django, Ringo, Sabata, Sartana, Trinity om op de duur te eindigen bij … Nobody. Rond 1966 had het genre z’n momentum bereikt en  traden regisseurs en trends naar voren. Sergio Corbucci was na Leone zonder meer de nummer twee: zijn invloedrijke, vaak geïmiteerde Django is de eerste gotische western.  Django bracht 30 sequels voort, een zeldzaam staaltje van exploitatie. Politieke thema’s deden hun intrede: menige film ging over kapitalistische landeigenaars die proletarische  arbeiders uitbuiten en waren parabels over de relatie tussen derde wereldlanden en het kapitalistische westen. En dan hebben we het nog niet eens gehad over de komische variant, met het razend populaire duo Terence Hill en Bud Spencer. Het genre doofde langzaam uit in de jaren ’70. De parodie My Name is Nobody (1973) van Tonino Valerii, gesuperviseerd door Leone, is een soort afscheid. Dit programma biedt een mooie kans om de films nog een keer te zien op groot scherm, waar ze in de eerste plaats voor gemaakt zijn.

Congo50 

2010 markeert de 50ste verjaardag van de onafhankelijkheid van het voormalig Belgisch Congo (1909-1960). Gedurende de hele koloniale periode, maar vooral na WOII, hebben  kolonialen van  divers allooi - missionarissen, ondernemers en ambtenaren, maar ook avonturiers, toeristen en cineasten – het leven in de kolonie op film vastgelegd. Dit resulteerde in een breed gamma aan documentaires, speelfilms en amateurfilms waarvan velen tot op vandaag bewaard zijn. Uit dit gamma bijzondere tijdsdocumenten toont Cinema Zuid in april  en selectie. In het programma is er ruime aandacht voor het werk van de grootste ‘Congo-cineasten’: Ernest Genval, André Cauvin en Gérard De Boe. In hun geheel eigen stijl en met  eigen accenten, registreerden zij de eigenheden en eigenaardigheden van een land dat blootstond aan een razendsnelle industrialisering, modernisering en kerstening. Vaak – maar  niet altijd – bleef de keerzijde hiervan onderbelicht: ontworteling, massale arbeidsmigratie, uitbuiting en betutteling. Ook na 1960 heeft de cinema haar licht laten schijnen over Congo, getuige het eigenzinnige filmessay Palaver (Emile Degelin, 1969), de kritische documentaire Zaïre, le cycle du serpent (Thierry Michel, 1992) en Raoul Pecks Lumumba (2000).