Van de 13de tot de 19de eeuw boden toverlantaarns een magisch schouwspel met vaak spectaculair ‘bewegende beelden’ en dit lang voor het ontstaan van de cinema(tografie). Paradoxaal genoeg gebruikt de cinematografie bewegingsloze beelden om (de illusie van) beweging op te roepen. Tijdens een filmvertoning beweegt er helemaal niets op het scherm: de ‘software’ bestaat uit een snelle opeenvolging van duizenden fotogrammen die tegen 24 beelden per seconde door de projector lopen. Bijzondere bewegingsmechanismen van de hardware (projector) creëren een illusie van beweging.
Onze ogen worden letterlijk bedrogen, een belangrijk fenomeen dat de cinematografie in verband brengt met goochelkunst. Goochelaars zoals Georges Méliès zullen dan ook een belangrijke rol spelen in de beginperiode van de cinema en de ontwikkeling van technieken zoals stop motion.
Aan de hand van oude media zoals de thaumatrope, de phenakistiscope, de zootrope, de laterna magica, de peepshow enz. zal in twee lezingen duidelijk gemaakt worden hoe de cinematografie rond 1870 uit wetenschappelijke hoek is ontstaan, en later, rond 1895, gevolgd wordt door de geboorte van de narratieve film.