“Ik wilde de temperatuur van een zieke wereld meten” zei Fellini over La dolce vita, zijn fresco over Rome, “het Babylon van mijn dromen”.
Onze gids is Marcello, een tabloidjournalist die zichzelf zoekt te midden van het verdorven wereldje van Romes glitterati, de ’s nachts zonnebrillen dragende incrowd. Marcello schuimt alle parties af en slaapt met elke demi-mondaine op zoek naar de nieuwste scoop. Hij moet walgen van, maar wordt tegelijk onweerstaanbaar aangetrokken door het lege luxeleventje dat hij moet verslaan. Hij verwaarloost zijn verloofde en zoekt afleiding bij de hoerig-decadente Maddalena en de vlezige Amerikaanse starlet Sylvia (die later een plons waagt in de Trevifontein), laat zich meeslepen in de mediahysterie rond een nepmirakel, verzeilt in een villa waar een orgie aan de gang is, maar verlangt heimelijk naar het bourgeoisleven van zijn vriend-intellectueel Steiner.
Fellini’s film mag zich dan al afspelen in 1960, zijn carnavaleske satire op een samenleving geobsedeerd door beroemdheden, schandalen, vluchtige hype is nog altijd even relevant vandaag als 50 jaar geleden. En de paparazzi (een term die gemeengoed werd dankzij Fellini’s film) zijn meer dan ooit onder ons.