‘Nunsploition’ – softe seksfilms die zich afspelen in kloosters met lesbische of bezeten nonnen, onschuldige zusters die in de problemen raken en machtsgeile en/of sadistische moeder-oversten – was één van de vele exploitation-subgenres die in de jaren ’70 een plotse bloei kenden. Bekendste film binnen dit genre is La monaca di Monza, een staaltje pseudo-historische Eurotrash met nochtans uitstekende credentials: een neef van Luchino Visconti regisseerde, de dialogen zijn van de Engelse toneelauteur Edward Bond (co-scenarist van Blow-Up), cameraman was Luigi Kuveiller, componist Ennio Morricone en kostuumontwerper Danilo Donati. In het 17de-eeuwse Italië krijgt een jonge rebel via een bevriende priester asiel in een klooster. Daar verkracht hij de autoritaire, seksueel gefrustreerde moeder-overste, die later een kind op de wereld zet. Een jaloerse lekenzuster, die getuige was, brengt de zaak naar buiten. De jongeman wordt vermoord en de non veroordeeld en levend ingemetseld.