In dit eerste deel van wat een trilogie had moeten worden, verweeft Angelopoulos de beslissende gebeurtenissen uit de Griekse geschiedenis tussen 1919 en 1949 met het lot van een jong paar. In 1919 vestigen Griekse vluchtelingen uit Odessa zich aan de monding van een grote rivier nabij Thessaloníki om er een nieuw leven te beginnen. In de meesterlijk gechoreografeerde saga die erop volgt, zal de rivier een grens zijn, dan een spiegel, een corridor en uiteindelijk een eindpunt voor de vluchtelingen als ze mee het tragisch lot van hun land ondergaan.
Het verhaal draait om Spyros, zijn zoon Alexis en het weesmeisje Eleni, dat de geliefde wordt van de jongen. Achtervolgd door Spyros, die zelf geobsedeerd is door Eleni, begint voor het jonge paar een levenslange vlucht weg van een oedipaal lot en recht in de vlammen van de Griekse burgeroorlog en de Tweede Wereldoorlog.