vrijdag 25 mei

zondag 27 mei

vrijdag 1 juni

zondag 3 juni

vrijdag 8 juni

zondag 10 juni

vrijdag 15 juni

zondag 17 juni

vrijdag 22 juni

zondag 24 juni

vrijdag 29 juni

THEMATHEMA
REEKSENREEKSEN

MAART/APRIL

CHANTAL AKERMAN

De Belgische Chantal Akerman (°1950) behoort tot de invloedrijkste filmmakers van haar generatie. Akermans films en video’s keren steeds naar dezelfde kardinale vragen terug – vraagstellingen die de al dan niet illusoire grens tussen document, fictie en narratief aanbelangen, of het wankele evenwicht tussen persoonlijk en collectief geheugen, tussen politieke reflectie, intellectueel onderzoek en poëtische mijmering. Het verhaal wil dat de liefde van Akerman voor de film ontstond na het zien op 15-jarige leeftijd van Jean-Luc Godards Pierrot le Fou. Ze ging lessen volgen aan de filmschool INSAS , maar gaf het na twee jaar al op. Ze had meer  interesse in het maken van films dan op de schoolbanken zitten.
Met gespaard geld maakte ze in 1968 haar eerste kortfilm, Saute ma ville (1968).  In 1972 verhuisde Akerman naar New York, waar ze in contact kwam met avant-gardefilmmakers, vooral dan Michael Snow, die haar sterk beïnvloedde.
Haar twee eerste lange films, Hotel Monterey (1972) en Je tu il elle (1974) werden gevolgd door haar signatuurfilm Jeanne Dielman, 23 Quai du Commerce, 1080 Bruxelles (1975), waarin Delphine Seyrig een Brusselse weduwe speelt van wie het saaie routineleven langzaam ontregeld raakt. In 1968 keerde Akerman terug naar New York om er News from Home te maken, gevolgd twee jaar later door Les Rendez-vous d’Anna en, in 1982, Toute une nuit.
In 1983 draaide Akerman Les années 80, een studie voor de ‘winkelcentrummusical’ Golden Eighties, een ‘tegenstuk’ van (en misschien wel de inspiratie voor)  Woody Allens Everyone Says I Love You.

Tussen haar speelfilms door draaide Akerman tal van documentaires, over actuele onderwerpen maar evengoed over choreografe Pina Bausch of pianist Alfred  Brendel.

”Als mijn films politiek zijn ontstaat dat zomaar, uit de situatie”, zegt Akerman. “Ik wantrouw films die politiek heten te zijn. Dan weet je van tevoren al wat erin zal zitten. (…) Tijdens het draaien vind ik de film uit. Dat is het avontuur. En dat is ook het avontuur van de kijker.”
 

KEN RUSSELL
 

Vorig jaar overleed Ken Russell (1927–2011), het enfant terrible van de Britse cinema van de jaren 70 en 80. De criticus Mark Kermode omschreef Russell als  iemand die bewees dat de Britse cinema niet alleen stond voor kitchen sink, maar even flamboyant kon zijn als Fellini”. Russell begon zijn carrière bij de BBC : tussen 1962 en ’68 maakte hij een reeks portretten van bekende kunstenaars die in alles afweken van de klassieke kunstdocumentaire. Russells onorthodoxe benadering en visuele flair waren al een voorbode voor zijn nog flamboyanter en provocerender werk voor de cinema.

In 1969 brak de regisseur door met wat beschouwd wordt als zijn signatuurfilm, Women In Love, een uitgelaten bewerking van D.H. Lawrence’s roman over liefde en
lust in het Engeland van de jaren 20. Women in Love sloot perfect aan bij de seksuele revolutie en de counterculture van eind de jaren 60. Hij werd genomineerd voor
verschillende Oscars en Glenda Jackson won er een.
Op Women in Love volgde een reeks films die even controversieel als succesvol bleken te zijn, vooral biopics van kunstenaars: The Music Lovers (1970) over Tsjaikovski; Savage Messiah (1972) over de Poolse beeldhouwer Henri-Gaudier- Brzeska; Mahler (1975), een onverwachte hit; Lisztomania (1975) met de 19de  eeuwse componist als 20ste eeuwse rockster; Valentino (1977) met Rudolf Noereyev.
Russells spraakmakendste film kwam er in 1971: The Devils, over kerkelijke machtsstrijd in het 17de eeuwse Frankrijk, een film zó omstreden dat Warner Bros hem
weigerde ongecensureerd uit te brengen, maar die zelfs in zijn ingekorte versie een schandaalsucces werd. Op The Devils volgde The Boy Friend, een sprankelende musical en hommage aan Busby Berkeley met het Swinging Londonicoon Twiggy in de hoofdrol.

Tussen bovenvermelde biopics door regisseerde Russell in 1975 een all-star versie van Tommy, de rockopera van The Who, een megasucces in zijn tijd. In de VS draaide hij ook Altered States (1980), zijn enige sciencefictionfilm, en Crimes of Passion (1984), een satire op puriteins Amerika. In de jaren 80 volgden bescheidener
(maar niet minder buitensporige) films als Gothic (1986) over het ontstaan van het Frankensteinverhaal met Gabriel Byrne als Lord Byron; The Lair of the White Worm (1988), naar Bram Stoker, met Amanda Donohoe and Hugh Grant; Salome’s Last Dance, naar het stuk van Oscar Wilde; en The Rainbow (1988), zijn tweede D.H. Lawrenceverfilming.

Later vond Russell het steeds moeilijker om financiering te vinden voor zijn projecten: hij regisseerde muziekvideo’s en werk voor tv. Zijn beruchtheid en persona trokken dan al meer aandacht dan zijn werk. Net voor zijn dood had hij nog ingestemd met het regisseren van een musicalversie van Alice in Wonderland.
De films van de romanticus Russell zijn een lofzang op de emotionele intelligentie, de seksuele vrijheid en de folie van de (artistieke) ambitie.
Aanvallen op zijn werk pareerde de filmmaker steevast met: ‘wat men in een bepaald tijdperk vulgair vindt wordt later gezien als artistieke durf’.
 

DE PANIEKBEWEGING

De Paniekbeweging (‘Mouvement panique’) was een anarchistisch avant-gardecollectief dat precies 50 jaar geleden werd opgericht in Parijs door de Spaanse romanen toneelschrijver/dichter/filmmaker Fernando Arrabal, de Chileense filmmaker/ toneelschrijver/acteur/comicstriptekenaar en spirituele goeroe Alejandro Jodorowsky en de Franse schrijver/schilder/illustrator Roland Topor.  De groep, geïnspireerd door en genaamd naar de Griekse God Pan en beïnvloed door zowel Luis Buñuel als Antonin Artauds Theater van de Wreedheid, legde zich toe op chaotische performance kunst en surreële beeldspraak.
De Paniekbeweging bracht theateropvoeringen die bedoeld waren om te shockeren als reactie tegen het surrealisme dat volgens de leden te kleinburgerlijk was
geworden en om de verdrongen erotische en criminele obsessies van de toeschouwer uit te drijven.
Eén van de bekendste performances, het vier uur durende Sacramentaal Melodrama, werd opgevoerd in 1965 tijdens het Festival van de Vrije Expressie in Parijs. In deze happening sneed Jodorowsky, gekleed in leren jekker, de keel over van twee ganzen, tapete twee slangen aan zijn borst en liet zich uitkleden en met de zweep bewerken.
Arrabal en Jodorowsky gingen later ook films maken. Arrabal werd bekend door Viva la muerte (1971), nog vorige maand te zien en J’irai comme un cheval fou (1973).
Jodorowsky van zijn kant bereikte echte cultstatus met Fando y Lis, de ‘acid’ western El Topo en The Holy Mountain. Jodorowsky ontbond de Paniekbeweging in 1973, na het verschijnen van Arrabals boek Le panique.

In samenwerking met het Crossroads Festival
 

MEI/JUNI

THEO ANGELOPOULOS

Jaren van tumultueuze gebeurtenissen die voorbijtrekken in één enkele take, dat is het handelsmerk van de Griekse regisseur Theo Angelopoulos (1935-2012). De grote politieke en sociale thema’s van de laatste eeuw in Griekenland en de Balkan behandelt Angelopoulos met de ernst en de urgentie die ze verdien(d)en. Zijn werk wordt soms als ‘moeilijk’ omschreven, maar zijn films hebben de eenvoud van een antieke mythe en voelen als een episch gedicht van Homeros.
O Thiassos volgt een toneelgezelschap dat tussen 1939 en 1952 op tournee gaat door Griekenland. De film reflecteert over het fascisme, het communisme en de burgeroorlog, maar weerspiegelt ook de tijd -de jaren van het kolonelsregime- waarin hij gemaakt werd.
Landscape in the Mist gaat over de erfenis van de Grieken die hun land verlaten om in Duitsland en elders werk te vinden. Ulysses’ Gaze is een mijmering over de geschiedenis van de cinema en tegelijk die van de Balkan, waarvan de grenzen niet ophouden met veranderen.
Eternity and a Day focust dan weer op de rol van de kunstenaar in een wrede, vluchtige wereld.
Angelopoulos stond na The Weeping Meadow (2004) en The Dust of Time (2009) op het punt om met The Other Sea (over de gevolgen van de Griekse schuldencrisis) een trilogie af te werken, toen hij het slachtoffer werd van een stom verkeersongeval.
Hij was 76.

YASUJIRO OZU: A Man for All Seasons

De Japanners beschouwden Yasujiro Ozu’s (1903-1963) contemplatieve films als té Japans. Ze vreesden dat ze in het buitenland verkeerd begrepen zouden worden. De regisseur (wiens carrière in de jaren 20 begon) deelde deze mening. Vandaar dat zijn werk pas laat het westen bereikte. Maar de kunst van Ozu bleek universeel.
Zijn beheerste, minimalistische stijl heeft een metafysische intensiteit, die vaak wordt omschreven als transcendentaal. Zijn films onthullen het volle pathos van het menselijk bestaan en bezitten een droeve maar serene berusting, een aanvaarding van de dingen zoals ze nu eenmaal zijn.
Het is dit gevoel van ‘mono no aware’ dat Ozu’s werk zo elegant, teder en melancholisch maakt.
De meeste van Ozu’s 53 films zijn bedrieglijk eenvoudige (melo-)drama’s over het leven van de lagere middenklasse (‘shomin-geki’): de periodieke familiecrisissen als gevolg van huwelijksproblemen, kind-ouderrelaties, afscheid en dood, het verdwijnen van de traditionele waarden. In het westen is dit meestal stof voor soaps of sitcoms; in Ozu’s delicate handen leverde het materiaal op voor enkele van de ontroerendste en magistraalste films ooit gemaakt.
In zijn latere periode maakte Ozu o.a. zes films die variaties zijn op hetzelfde thema en die zich telkens in een ander seizoen afspelen. Samma no aji (Een herfstnamiddag, 1962), Ozu’s laatste film, is nu precies 50 jaar oud.

WILLEM DAFOE

Het lijstje van topregisseurs met wie de Amerikaanse acteur Willem Dafoe (°1955) werkte, is indrukwekkend. Hij speelde rollen in zowel mainstream Hollywoodfilms als films van ‘independents’ en Europese auteurs. De meeste rollen versterken zijn reputatie van één van Amerika’s meest ‘voorspelbaar onvoorspelbare’ acteurs.
“I don't think people want to see me as a regular guy, besides, I'm a regular guy in real life. I guess I just want to be reckless in my work”, zegt Dafoe over zijn werk en voegt eraan toe: “I never act. I simply bring out the real animal that's in me”.

Dafoes filmcarrière begon in 1981, toen hij werd gecast in Michael Cimino’s Heaven’s Gate, maar zijn rol sneuvelde tijdens de montage. Begin jaren 80 was hij o.a. te zien in films als The Hunger (1983) en To Live and Die in L.A. (1985), voor hij doorbrak met Platoon (1986). Zijn vertolking van de medelevende, hasj rokende Sgt. Elias bezorgde hem erkenning in Hollywood en een nominatie voor beste mannelijke bijrol. De acteur werd tweemaal genomineerd voor een Oscar (Platoon en Shadow of the Vampire) en eenmaal voor een Golden Globe. Naast andere nominaties en onderscheidingen ontving hij een LA Film Critics Award en een Independent Spirit Award.

Dafoe is één van de medeoprichters van The Wooster Group, het in New York gevestigde theatercollectief. Hij creëerde en speelde in al het werk van de groep van 1977 tot 2005. Sindsdien werkte hij met o.a. Richard Foreman in Idiot Savant bij The Public Theatre en recent met Robert Wilson in The Life & Death of Marina Abramovic.

Willem Dafoe speelt in The Life & Death of Marina Abramovic in deSingel in Antwerpen op 28, 29 & 30 juni om 20:00, meer info: www.desingel.be